Amerikaniseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikamerikaniseeramerikaniseerdeheb geamerikaniseerd
jij, je, uamerikaniseertamerikaniseerdehebt geamerikaniseerd
hij, zij, hetamerikaniseertamerikaniseerdeheeft geamerikaniseerd
wijamerikaniserenamerikaniseerdenhebben geamerikaniseerd
jullieamerikaniserenamerikaniseerdenhebben geamerikaniseerd
zij, zeamerikaniserenamerikaniseerdenhebben geamerikaniseerd