Anatomiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikanatomiseeranatomiseerdeheb geanatomiseerd
jij, je, uanatomiseertanatomiseerdehebt geanatomiseerd
hij, zij, hetanatomiseertanatomiseerdeheeft geanatomiseerd
wijanatomiserenanatomiseerdenhebben geanatomiseerd
jullieanatomiserenanatomiseerdenhebben geanatomiseerd
zij, zeanatomiserenanatomiseerdenhebben geanatomiseerd