Applaudisseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikapplaudisseerapplaudisseerdeheb geapplaudisseerd
jij, je, uapplaudisseertapplaudisseerdehebt geapplaudisseerd
hij, zij, hetapplaudisseertapplaudisseerdeheeft geapplaudisseerd
wijapplaudisserenapplaudisseerdenhebben geapplaudisseerd
jullieapplaudisserenapplaudisseerdenhebben geapplaudisseerd
zij, zeapplaudisserenapplaudisseerdenhebben geapplaudisseerd