Arabiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikarabiseerarabiseerdeheb gearabiseerd
jij, je, uarabiseertarabiseerdehebt gearabiseerd
hij, zij, hetarabiseertarabiseerdeheeft gearabiseerd
wijarabiserenarabiseerdenhebben gearabiseerd
julliearabiserenarabiseerdenhebben gearabiseerd
zij, zearabiserenarabiseerdenhebben gearabiseerd