Arceren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikarceerarceerdeheb gearceerd
jij, je, uarceertarceerdehebt gearceerd
hij, zij, hetarceertarceerdeheeft gearceerd
wijarcerenarceerdenhebben gearceerd
julliearcerenarceerdenhebben gearceerd
zij, zearcerenarceerdenhebben gearceerd