Assureren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikassureerassureerdeheb geassureerd
jij, je, uassureertassureerdehebt geassureerd
hij, zij, hetassureertassureerdeheeft geassureerd
wijassurerenassureerdenhebben geassureerd
jullieassurerenassureerdenhebben geassureerd
zij, zeassurerenassureerdenhebben geassureerd