Atomiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikatomiseeratomiseerdeheb geatomiseerd
jij, je, uatomiseertatomiseerdehebt geatomiseerd
hij, zij, hetatomiseertatomiseerdeheeft geatomiseerd
wijatomiserenatomiseerdenhebben geatomiseerd
jullieatomiserenatomiseerdenhebben geatomiseerd
zij, zeatomiserenatomiseerdenhebben geatomiseerd