Avonturen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikavontuuravontuurdeheb geavontuurd
jij, je, uavontuurtavontuurdehebt geavontuurd
hij, zij, hetavontuurtavontuurdeheeft geavontuurd
wijavonturenavontuurdenhebben geavontuurd
jullieavonturenavontuurdenhebben geavontuurd
zij, zeavonturenavontuurdenhebben geavontuurd