beiden
| Presens | Imperfectum | Perfectum | |
|---|---|---|---|
| ik | beid | beidde | heb gebeid |
| jij, je, u | beidt | beidde | hebt gebeid |
| hij, zij, het | beidt | beidde | heeft gebeid |
| wij | beiden | beidden | hebben gebeid |
| jullie | beiden | beidden | hebben gebeid |
| zij, ze | beiden | beidden | hebben gebeid |
Presens
Example presens sentences for Beiden with some of the pronouns.
- We beiden genieten van de zonsondergang.
- Ik beide mijn taken altijd op tijd.
- Jullie beiden goede vrienden.
- Hij en zij beiden naar dezelfde school.
- De kinderen beiden graag in de speeltuin.
Imperfectum
Example imperfectum sentences for Beiden with some of the pronouns.
- We beiden gisteren naar de film.
- Ik beide vorige week een cadeau voor haar.
- Jullie beiden een geweldige vakantie vorig jaar.
- Hij en zij beiden in dezelfde stad geboren.
- De kinderen beiden erg blij met hun cadeaus.
Perfectum
Example perfectum sentences for Beiden with some of the pronouns.
- We hebben beiden onze doelen bereikt.
- Ik heb beide films al gezien.
- Jullie hebben beiden veel ervaring opgedaan.
- Hij en zij hebben beiden hard gewerkt voor dit resultaat.
- De kinderen hebben beiden een prijs gewonnen.