blijven

Conjugations List of Blijven.
Presens
Imperfectum
Perfectum
ikblijfbleefben gebleven
jij, je, ublijftbleefbent gebleven
hij, zij, hetblijftbleefis gebleven
wijblijvenblevenzijn gebleven
jullieblijvenblevenzijn gebleven
zij, zeblijvenblevenzijn gebleven

Presens

Example presens sentences for Blijven with some of the pronouns.

  • Ik blijf thuis vanavond.
  • Hij blijft altijd positief, zelfs in moeilijke tijden.
  • Wij blijven graag bij elkaar.
  • Jullie blijven in Nederland tijdens de zomermaanden.
  • De kinderen blijven stil zitten tijdens de les.

Imperfectum

Example imperfectum sentences for Blijven with some of the pronouns.

  • Gisteren bleef ik laat op om een film te kijken.
  • Hij bleef vorige week thuis vanwege ziekte.
  • Wij bleven altijd logeren bij oma en opa tijdens de vakantie.
  • Jullie bleven lang wachten op de bus.
  • De hond bleef achter in het park toen we weggingen.

Perfectum

Example perfectum sentences for Blijven with some of the pronouns.

  • Ik ben thuisgebleven gisteravond.
  • Hij is altijd positief gebleven, zelfs in moeilijke tijden.
  • Wij zijn bij elkaar gebleven ondanks de uitdagingen.
  • Jullie zijn in Nederland gebleven tijdens de zomermaanden.
  • De kinderen zijn stil blijven zitten tijdens de hele voorstelling.