Krijsen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkrijskrees krijsteheb gekrijst
jij, je, ukrijstkrees krijstehebt gekrijst
hij, zij, hetkrijstkrees krijsteheeft gekrijst
wijkrijsenkresen krijstenhebben gekrijst
julliekrijsenkresen krijstenhebben gekrijst
zij, zekrijsenkresen krijstenhebben gekrijst