Kwaadspreken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikspreek kwaadsprak kwaadheb kwaadgesproken
jij, je, uspreekt kwaadsprak kwaadhebt kwaadgesproken
hij, zij, hetspreekt kwaadsprak kwaadheeft kwaadgesproken
wijspreken kwaadspraken kwaadhebben kwaadgesproken
julliespreken kwaadspraken kwaadhebben kwaadgesproken
zij, zespreken kwaadspraken kwaadhebben kwaadgesproken