Lamenteren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklamenteerlamenteerdeheb gelamenteerd
jij, je, ulamenteertlamenteerdehebt gelamenteerd
hij, zij, hetlamenteertlamenteerdeheeft gelamenteerd
wijlamenterenlamenteerdenhebben gelamenteerd
jullielamenterenlamenteerdenhebben gelamenteerd
zij, zelamenterenlamenteerdenhebben gelamenteerd