Landen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklandlanddeben geland
jij, je, ulandtlanddebent geland
hij, zij, hetlandtlanddeis geland
wijlandenlanddenzijn geland
jullielandenlanddenzijn geland
zij, zelandenlanddenzijn geland