Laseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklaserlaserdeheb gelaserd
jij, je, ulasertlaserdehebt gelaserd
hij, zij, hetlasertlaserdeheeft gelaserd
wijlaserenlaserdenhebben gelaserd
jullielaserenlaserdenhebben gelaserd
zij, zelaserenlaserdenhebben gelaserd