Leegrijden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikrij leegreed leegheb leeggereden
jij, je, urijdt leegreed leeghebt leeggereden
hij, zij, hetrijdt leegreed leegheeft leeggereden
wijrijden leegreden leeghebben leeggereden
jullierijden leegreden leeghebben leeggereden
zij, zerijden leegreden leeghebben leeggereden