Leegschenken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikschenk leegschonk leegheb leeggeschonken
jij, je, uschenkt leegschonk leeghebt leeggeschonken
hij, zij, hetschenkt leegschonk leegheeft leeggeschonken
wijschenken leegschonken leeghebben leeggeschonken
jullieschenken leegschonken leeghebben leeggeschonken
zij, zeschenken leegschonken leeghebben leeggeschonken