Leraren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikleraarleraardeheb geleraard
jij, je, uleraartleraardehebt geleraard
hij, zij, hetleraartleraardeheeft geleraard
wijlerarenleraardenhebben geleraard
jullielerarenleraardenhebben geleraard
zij, zelerarenleraardenhebben geleraard