Lijden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklijdleedheb geleden
jij, je, ulijdtleedhebt geleden
hij, zij, hetlijdtleedheeft geleden
wijlijdenledenhebben geleden
jullielijdenledenhebben geleden
zij, zelijdenledenhebben geleden