Loven

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikloofloofdeheb geloofd
jij, je, ulooftloofdehebt geloofd
hij, zij, hetlooftloofdeheeft geloofd
wijlovenloofdenhebben geloofd
jullielovenloofdenhebben geloofd
zij, zelovenloofdenhebben geloofd