Luchten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikluchtluchtteheb gelucht
jij, je, uluchtluchttehebt gelucht
hij, zij, hetluchtluchtteheeft gelucht
wijluchtenluchttenhebben gelucht
jullieluchtenluchttenhebben gelucht
zij, zeluchtenluchttenhebben gelucht