Luiden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikluidluiddeheb geluid
jij, je, uluidtluiddehebt geluid
hij, zij, hetluidtluiddeheeft geluid
wijluidenluiddenhebben geluid
jullieluidenluiddenhebben geluid
zij, zeluidenluiddenhebben geluid