Lunchen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklunchlunchteheb geluncht
jij, je, ulunchtlunchtehebt geluncht
hij, zij, hetlunchtlunchteheeft geluncht
wijlunchenlunchtenhebben geluncht
jullielunchenlunchtenhebben geluncht
zij, zelunchenlunchtenhebben geluncht