Magnetiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmagnetiseermagnetiseerdeheb gemagnetiseerd
jij, je, umagnetiseertmagnetiseerdehebt gemagnetiseerd
hij, zij, hetmagnetiseertmagnetiseerdeheeft gemagnetiseerd
wijmagnetiserenmagnetiseerdenhebben gemagnetiseerd
julliemagnetiserenmagnetiseerdenhebben gemagnetiseerd
zij, zemagnetiserenmagnetiseerdenhebben gemagnetiseerd