Manen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmaanmaandeheb gemaand
jij, je, umaantmaandehebt gemaand
hij, zij, hetmaantmaandeheeft gemaand
wijmanenmaandenhebben gemaand
julliemanenmaandenhebben gemaand
zij, zemanenmaandenhebben gemaand