Maximeren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmaximeermaximeerdeheb gemaximeerd
jij, je, umaximeertmaximeerdehebt gemaximeerd
hij, zij, hetmaximeertmaximeerdeheeft gemaximeerd
wijmaximerenmaximeerdenhebben gemaximeerd
julliemaximerenmaximeerdenhebben gemaximeerd
zij, zemaximerenmaximeerdenhebben gemaximeerd