Medeleven

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikleef medeleefde medeheb medegeleefd
jij, je, uleeft medeleefde medehebt medegeleefd
hij, zij, hetleeft medeleefde medeheeft medegeleefd
wijleven medeleefden medehebben medegeleefd
jullieleven medeleefden medehebben medegeleefd
zij, zeleven medeleefden medehebben medegeleefd