Medicineren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmedicineermedicineerdeheb gemedicineerd
jij, je, umedicineertmedicineerdehebt gemedicineerd
hij, zij, hetmedicineertmedicineerdeheeft gemedicineerd
wijmedicinerenmedicineerdenhebben gemedicineerd
julliemedicinerenmedicineerdenhebben gemedicineerd
zij, zemedicinerenmedicineerdenhebben gemedicineerd