Mediëren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmedieermedieerdeheb gemedieerd
jij, je, umedieertmedieerdehebt gemedieerd
hij, zij, hetmedieertmedieerdeheeft gemedieerd
wijmediërenmedieerdenhebben gemedieerd
julliemediërenmedieerdenhebben gemedieerd
zij, zemediërenmedieerdenhebben gemedieerd