Meetrainen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iktrain meetrainde meeheb meegetraind
jij, je, utraint meetrainde meehebt meegetraind
hij, zij, hettraint meetrainde meeheeft meegetraind
wijtrainen meetrainden meehebben meegetraind
jullietrainen meetrainden meehebben meegetraind
zij, zetrainen meetrainden meehebben meegetraind