Memoriseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmemoriseermemoriseerdeheb gememoriseerd
jij, je, umemoriseertmemoriseerdehebt gememoriseerd
hij, zij, hetmemoriseertmemoriseerdeheeft gememoriseerd
wijmemoriserenmemoriseerdenhebben gememoriseerd
julliememoriserenmemoriseerdenhebben gememoriseerd
zij, zememoriserenmemoriseerdenhebben gememoriseerd