Meuren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmeurmeurdeheb gemeurd
jij, je, umeurtmeurdehebt gemeurd
hij, zij, hetmeurtmeurdeheeft gemeurd
wijmeurenmeurdenhebben gemeurd
julliemeurenmeurdenhebben gemeurd
zij, zemeurenmeurdenhebben gemeurd