Misverstaan

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikversta misverstond misheb misverstaan
jij, je, uverstaat misverstond mishebt misverstaan
hij, zij, hetverstaat misverstond misheeft misverstaan
wijverstaan misverstonden mishebben misverstaan
jullieverstaan misverstonden mishebben misverstaan
zij, zeverstaan misverstonden mishebben misverstaan