Mitrailleren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmitrailleermitrailleerdeheb gemitrailleerd
jij, je, umitrailleertmitrailleerdehebt gemitrailleerd
hij, zij, hetmitrailleertmitrailleerdeheeft gemitrailleerd
wijmitraillerenmitrailleerdenhebben gemitrailleerd
julliemitraillerenmitrailleerdenhebben gemitrailleerd
zij, zemitraillerenmitrailleerdenhebben gemitrailleerd