Moederen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmoedermoederdeheb gemoederd
jij, je, umoedertmoederdehebt gemoederd
hij, zij, hetmoedertmoederdeheeft gemoederd
wijmoederenmoederdenhebben gemoederd
julliemoederenmoederdenhebben gemoederd
zij, zemoederenmoederdenhebben gemoederd