Mommen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmommomdeheb gemomd
jij, je, umomtmomdehebt gemomd
hij, zij, hetmomtmomdeheeft gemomd
wijmommenmomdenhebben gemomd
julliemommenmomdenhebben gemomd
zij, zemommenmomdenhebben gemomd