Moraliseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmoraliseermoraliseerdeheb gemoraliseerd
jij, je, umoraliseertmoraliseerdehebt gemoraliseerd
hij, zij, hetmoraliseertmoraliseerdeheeft gemoraliseerd
wijmoraliserenmoraliseerdenhebben gemoraliseerd
julliemoraliserenmoraliseerdenhebben gemoraliseerd
zij, zemoraliserenmoraliseerdenhebben gemoraliseerd