Motiveren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmotiveermotiveerdeheb gemotiveerd
jij, je, umotiveertmotiveerdehebt gemotiveerd
hij, zij, hetmotiveertmotiveerdeheeft gemotiveerd
wijmotiverenmotiveerdenhebben gemotiveerd
julliemotiverenmotiveerdenhebben gemotiveerd
zij, zemotiverenmotiveerdenhebben gemotiveerd