Mountainbiken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmountainbikemountainbiketeheb gemountainbiket
jij, je, umountainbiketmountainbiketehebt gemountainbiket
hij, zij, hetmountainbiketmountainbiketeheeft gemountainbiket
wijmountainbikenmountainbiketenhebben gemountainbiket
julliemountainbikenmountainbiketenhebben gemountainbiket
zij, zemountainbikenmountainbiketenhebben gemountainbiket