Multipliceren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmultipliceermultipliceerdeheb gemultipliceerd
jij, je, umultipliceertmultipliceerdehebt gemultipliceerd
hij, zij, hetmultipliceertmultipliceerdeheeft gemultipliceerd
wijmultiplicerenmultipliceerdenhebben gemultipliceerd
julliemultiplicerenmultipliceerdenhebben gemultipliceerd
zij, zemultiplicerenmultipliceerdenhebben gemultipliceerd