Musiceren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmusiceermusiceerdeheb gemusiceerd
jij, je, umusiceertmusiceerdehebt gemusiceerd
hij, zij, hetmusiceertmusiceerdeheeft gemusiceerd
wijmusicerenmusiceerdenhebben gemusiceerd
julliemusicerenmusiceerdenhebben gemusiceerd
zij, zemusicerenmusiceerdenhebben gemusiceerd