Nabloeden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbloed nabloedde naheb nagebloed
jij, je, ubloedt nabloedde nahebt nagebloed
hij, zij, hetbloedt nabloedde naheeft nagebloed
wijbloeden nabloedden nahebben nagebloed
julliebloeden nabloedden nahebben nagebloed
zij, zebloeden nabloedden nahebben nagebloed