Nachecken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikcheck nacheckte naheb nagecheckt
jij, je, ucheckt nacheckte nahebt nagecheckt
hij, zij, hetcheckt nacheckte naheeft nagecheckt
wijchecken nacheckten nahebben nagecheckt
julliechecken nacheckten nahebben nagecheckt
zij, zechecken nacheckten nahebben nagecheckt