Narcotiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iknarcotiseernarcotiseerdeheb genarcotiseerd
jij, je, unarcotiseertnarcotiseerdehebt genarcotiseerd
hij, zij, hetnarcotiseertnarcotiseerdeheeft genarcotiseerd
wijnarcotiserennarcotiseerdenhebben genarcotiseerd
jullienarcotiserennarcotiseerdenhebben genarcotiseerd
zij, zenarcotiserennarcotiseerdenhebben genarcotiseerd