Nasynchroniseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iksynchroniseer nasynchroniseerde naheb nagesynchroniseerd
jij, je, usynchroniseert nasynchroniseerde nahebt nagesynchroniseerd
hij, zij, hetsynchroniseert nasynchroniseerde naheeft nagesynchroniseerd
wijsynchroniseren nasynchroniseerden nahebben nagesynchroniseerd
julliesynchroniseren nasynchroniseerden nahebben nagesynchroniseerd
zij, zesynchroniseren nasynchroniseerden nahebben nagesynchroniseerd