Nationaliseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iknationaliseernationaliseerdeheb genationaliseerd
jij, je, unationaliseertnationaliseerdehebt genationaliseerd
hij, zij, hetnationaliseertnationaliseerdeheeft genationaliseerd
wijnationaliserennationaliseerdenhebben genationaliseerd
jullienationaliserennationaliseerdenhebben genationaliseerd
zij, zenationaliserennationaliseerdenhebben genationaliseerd