Nemen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikneemnamheb genomen
jij, je, uneemtnamhebt genomen
hij, zij, hetneemtnamheeft genomen
wijnemennamenhebben genomen
jullienemennamenhebben genomen
zij, zenemennamenhebben genomen