Netwerken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iknetwerknetwerkteheb genetwerkt
jij, je, unetwerktnetwerktehebt genetwerkt
hij, zij, hetnetwerktnetwerkteheeft genetwerkt
wijnetwerkennetwerktenhebben genetwerkt
jullienetwerkennetwerktenhebben genetwerkt
zij, zenetwerkennetwerktenhebben genetwerkt