Normaliseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iknormaliseernormaliseerdeheb genormaliseerd
jij, je, unormaliseertnormaliseerdehebt genormaliseerd
hij, zij, hetnormaliseertnormaliseerdeheeft genormaliseerd
wijnormaliserennormaliseerdenhebben genormaliseerd
jullienormaliserennormaliseerdenhebben genormaliseerd
zij, zenormaliserennormaliseerdenhebben genormaliseerd