Nuttigen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iknuttignuttigdeheb genuttigd
jij, je, unuttigtnuttigdehebt genuttigd
hij, zij, hetnuttigtnuttigdeheeft genuttigd
wijnuttigennuttigdenhebben genuttigd
jullienuttigennuttigdenhebben genuttigd
zij, zenuttigennuttigdenhebben genuttigd